Groepsgericht.

Naarmate de mens zich meer bewust begint te worden van de “persoonlijkheid” komt daarmee de identificatie te vervallen, hij beseft dat hij een “persoonlijkheid” heeft en niet dat hij deze is. De “persoonlijkheid” is “ik” gericht, her-kent zich in de stof en heeft derhalve een aardse functie. Op geestelijke gebied heeft de “persoonlijkheid” geen functie al zal menigeen de “persoonlijkheid” gebruiken om zich in de stoffelijke wereld geestelijk te kunnen manifesteren en hoewel dit een misleiding is kan toch op deze manier een begin gemaakt worden met het ontginnen van die nieuwe gebieden.

Betreed de mens de nieuwe wereld van de geest dan gaat hij merken dat al hetgeen hij geleerd en ervaren heeft gerelateerd is aan de stof en dat hij zich zal moeten heroriënteren om zichzelf te kunnen ontwikkelen op geestelijk gebied. Gedurende de vele eeuwen heeft de mens de ontwikkeling moeten doormaken in de stof, heeft zich een “persoonlijkheid” aangemeten voor bewustwording en weet niet beter dan dat de oorzaak in de buitenwereld ligt en dat hij slechts het gevolg is. De waarheid ligt buiten hemzelf en kan alleen waargenomen worden door zich te richten op de wereld door gebruik te maken van zijn zintuigen.

Gaat de mens bezig met de ontwikkeling van het geestelijke gebied dan gaat hij merken dat zijn “persoonlijkheid” minder van belang wordt, de weg naar binnen laat zien dat er geen verschillen bestaan in de geest, onderscheid wordt gemaakt in de stof met het “ik” als kenmerkende factor. Door het ervaren van deze gelijkheid komt de mens tot inzicht dat die “ik” in feite niet bestaat maar dat er slechts gradaties zijn van bewustzijn, zoals de druppels in de oceaan in feite niet los van elkaar bestaan maar als een geheel de oceaan vormen. Wil de mens zich bewust gaan worden van de kracht van de oceaan dan zal hij zich niet meer dienen te gedragen als een druppel maar als een oceaan. Indien de mens gaat beseffen dat hij onderdeel is van de gehele mensheid en dat hij hiermee onlosmakelijk is verbonden gaat hij inzien dat er geen sprake kan zijn van een “ik”.

Het bewust worden van dit latente wij-gevoel zorgt voor een vernieuwde kijk op het leven waarin de ruimte voor de “persoonlijkheid” wordt ingeperkt en er ruimte komt voor de ander die immers gezien kan worden als zichzelf. Vanuit dit groepsgericht denken of leven ontstaan nieuwe ervaringen en inzichten. Geluk wordt dat niet ervaren als het naar de “persoonlijkheid” toevloeit maar als het naar de groep toevloeit. Denken volgt niet langer de weg van “ik” maar de weg van “wij”. Natuurlijk is er nog steeds iemand aanwezig die denkt, voelt en bepaalt maar dit gebeurt op basis van het groepsgebeuren, hoe kan ik mij inzetten voor de groep, wat draagt het beste bij voor de groep, op welke manier heeft de groep het meeste aan mij.

Hoe meer de mens zich bewust wordt van groepsgericht leven hoe meer de “persoonlijkheid” naar de achtergrond verschuift. Het leven wordt eenvoudiger omdat niet overal meer iets van gevonden hoeft te worden, er hoeft geen oordeel te zijn, een mening willen hebben hoeft niet meer, iets willen zijn hoeft niet meer en het zich willen onderscheiden van de ander hoeft ook niet meer. Groepsgerichtheid heeft tot gevolg dat de interesse in de stof steeds meer komt te vervallen, er is steeds minder aantrekking vanuit de stoffelijke wereld omdat gezien wordt dat het geen toegevoegde waarde is op geestelijke gebied. Natuurlijk is er de stoffelijke wereld en wordt er geleefd in de stoffelijke wereld maar er wordt gezien dat dit niet de oorzaak is maar het gevolg van de innerlijke wereld.

Vanuit het groepsgericht leven ontstaan een nieuwe balans, de mens is niet langer het slachtoffer in zijn eigen leven maar hij gaat beseffen dat hij zijn eigen schepper is, de illusie van de stof wordt waargenomen en doorzien waardoor deze van zijn waarde ontdaan wordt. De “persoonlijkheid” is niet meer gericht op het “ik” en de begeerte naar de stof wordt minder. Het bewustzijn wordt opgetrokken naar “wij” en dit geeft nieuwe krachten, de mens is niet langer de speelbal van zijn omstandigheden maar hij krijgt het overzicht en gaat zien waar de oorzaak ligt. Hij kan doelgericht werken aan zijn ontwikkeling wordt niet tegengehouden door persoonlijke stukken. Het leven is dan als een rivier waarin hij met de stroom meegaat, snel vooruit gaan zonder dat het zichtbaar moeite kost. De mens gaat dan zien dat hij in feite reeds lange tijd tegen die stroom heeft ingezwommen wat hem veel kracht koste maar hem niets opleverde.

De mens met als leidraad zijn “persoonlijkheid” moet zelf zorgen voor zekerheid, voor veiligheid en garanties. Gaat de mens met de stroom mee dan gaat hij beseffen dat dit alles niet nodig is, als vanuit de oorzaak geleefd kan worden laat het gevolg zich altijd op de juiste manier zien. Omstandigheden zijn het decor van het toneelstuk dat leven heet en hierin hoeft niets veranderd te worden, het laat alleen maar zien wat aan de binnenkant opgepakt dient te worden. Altijd en overal heeft de mens het juiste decor en als hierin veiligheid of zekerheid gewenst is dan zal dit door de binnenkant worden aangereikt zodat het in zijn omstandigheden gaat verschijnen.

Als van “ik” naar “wij” wordt gegaan is er een besef van geestelijk kracht, dit is de kracht van de oceaan. Als de kracht van de oceaan door de druppel beseft wordt gaat hij begrijpen dat hij zelf niet hoeft te zorgen voor golven, dat hij hard moet werken om het leven naar zijn hand te zetten. Hij gaat dan met de stroom mee en ervaart de kracht die van hem uitgaat, die hem precies datgene brengt wat nodig is op het juiste moment. Hij gaat dan vertrouwen op het leven, gaat zijn lessen zien en omarmt de omstandigheden waarin hij verkeert omdat hij weet dat dit het beste is wat hij nodig heeft om te kunnen groeien.